Je collega heeft het over een cliënt, die eruitzag als een vrouw, maar aangaf zich als man te identificeren en mannelijke voornaamwoorden te prefereren. Deze collega gebruikt vrouwelijke voornaamwoorden in de overdracht.
Wat doe je?
Spreek je collega, op een vriendelijke manier, hierop aan. Leg uit dat het belangrijk is om cliënten met
de gewenste voornaamwoorden aan te spreken,
en met die zelfde voornaamwoorden over de cliënt
te spreken.